Rupert Brooke

14.95

Artikelnummer: 9789086662975Categorie: Tags: ,

Beschrijving

Rupert Brooke zijn leven en zijn gedichten

Rupert Brooke, geboren in Rugby. Pas onlangs ben ik mij gaan verdiepen in ander werk van deze dichter. Dat leidde niet zozeer tot bewondering, eerder tot verwondering. Zijn verzen bleken uitermate kenmerkend voor de tijd waarin ze werden geschreven, voor de atmosfeer in het Britse wereldrijk tijdens de jaren voor de Eerste Wereldoorlog. Zijn werk bleek mij zowel een typerend document voor een tijdsgewricht, als ook het testament van een kwetsbaar hart dat zich omringde met een muur van spot en ironie.

De Engelse dichter Gavin Buchanan Ewart (1916-1995) werd in 1987 gevraagd een inleiding te schrijven voor de heruitgave van Rupert Brooke’s verzamelde gedichten. Hij schreef: “Toen ik nog een tiener was bewonderde ik The Soldier omdat mij geleerd was het te bewonderen. Dit was het enige gedicht van Rupert Brooke dat aan mij werd voorgelegd, voor zover ik me kan herinneren. Daarna kwam de teleurstelling. Rupert stierf in een imperialistische oorlog en zo’n gedicht verheerlijkte die. Het gedicht was ook sentimenteel – waarom zou de lucht van Engeland zoveel verschillen van de lucht in andere landen?”
Deze woorden waren kenmerkend voor een verschil, niet alleen tussen twee generaties, maar meer nog tussen twee tijdperken. Rupert Brooke was de laatste dichter van de gloriejaren van het Britse imperium. Het waren niet alleen de soldaten die sneuvelden in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, het was ook de eeuw van Victoria en Edward die daar zijn einde vond.

Rupert Brooke en zijn reputatie

Zo is Rupert Brooke de geschiedenis ingegaan als de man van dat ene gedicht. Meer dan dat, plus zijn reputatie als “mooie jongen”, is nauwelijks bekend gebleven. Toch past bij een verzameling van zijn gedichten een levensbeschrijving in de hoop dat die zijn werk beter laat begrijpen.
Rupert Brooke werd geboren op 3 augustus 1887 in Rugby. Zijn vader was huismeester van de school te Rugby, een beroemde Britse instelling. Hij beleefde er een comfortabele jeugd en groeide al snel uit tot een man wiens knappe figuur bewondering oogstte van beide geslachten: Bovendien was hij slim, goed in sport – cricket en natuurlijk, rugby – en zeer creatief: Hij begon verzen te schrijven, want hij kreeg een liefde voor de poëzie door het lezen van Browning.

Zijn verder studie

Voor zijn verdere studie verhuisde hij in 1906 naar het King’s College te Cambridge. Ook daar maakte hij gemakkelijk vrienden, hoewel hij ook venijnig uit de hoek kon komen. Hij verkeerde in elitaire kringen, waaronder die van de beroemde Bloomsbury set, een invloedrijke groep Engelse schrijvers, intellectuelen, filosofen en kunstenaars. Beken-de leden waren Virginia Woolf, John Maynard Keynes, EM Forster en Lytton Strachey. Bloomsbury reageerde tegen de sociale rituelen. De groep “geloofde in genot”. Ze probeer-den het maximum aan plezier uit hun persoonlijke relaties te krijgen. Rupert heeft enige tijd in hun kring verkeerd. Virgina Woolf pochte dat ze met hem eens tijdens een maanverlichte nacht naakt in het meer heeft gezwommen.
Graag verbleef hij in Grantchester, een gehucht even buiten Cambridge. Daar werkte hij aan een proefschrift en hij wijdde er gedichten aan zijn ideaal van het Engelse landleven. Ze werden gepubliceerd in zijn eerste bundel, simpelweg getiteld Gedichten 1911. Grantchester was een favoriete wijkplaats voor de bollebozen van Cambridge. Het vormde ook de inspiratie voor een van zijn bekendste gedichten. Die gelukkige tijd kende helaas een tragisch einde. Om dat te begrijpen moeten we ons iets meer ver-diepen in zijn karakter dat veel facetten had.

Rupert Brooke als typisch Britse intellectueel

Rupert Brooke droeg alle kenmerken van de typische Britse intellectueel met zijn dédain voor het gewone burgerdom (zie het omgekeerde sonnet) en voor buitenlanders (vooral de Duitsers).
In Cambridge bekeerde hij zich tot het socialisme, niet als een gelovige, maar als een nuchtere criticus van zijn samenleving. Met de ‘klassenstrijd’ had hij weinig op en de gedachte, dat op een dag een revolutie de wereld tot het ideaal zou verheffen, kon hij niet omarmen. Hij sloot zich aan bij de Fabian Society, een Brits gezelschap van intellectuelen, dat aan de basis stond van de Labour Party. In tegenstelling tot de marxisten op het vasteland propageerden zij hervormingen langs democratische weg. Maar ook daarin konden ze in de ogen van Rupert Brooke een verkeerde weg inslaan. Toen hij op een dag George Bernhard Shaw hoorde verkondigen dat elke ‘klasse’ in het parlement over een eigen belangenpartij moest beschikken, noteerde hij: “Het was allemaal gebaseerd op egoïsme en niet erg inspirerend.”

Kennismaking met Nieuw-Zeeland

Een paar later zou hij in Nieuw Zeeland kennismaken met de eerste verworvenheden van de welvaartsstaat. Daar hadden ze vele punten van het programma der Fabians verwezenlijkt: een achturige werkdag, pensioenen voor de ouderen, het minimumloon, sociale verzekering, enzovoorts. Hij schreef erover aan zijn moeder met het volgende commentaar: “En toch is dit niet het paradijs. De problemen zijn niet veranderd (behalve dat de ergste armoede ontbreekt). De kosten van levensonderhoud stijgen sneller dan de lonen. Er zijn nog steeds problemen tussen vakbonden en werkgevers, tussen rijk en arm. Ik denk dat nergens vrede kan zijn zolang niet alle rijken zijn bedwongen.” Overigens noteerde hij ook dat alle vrouwen in Nieuw Zeeland rookten, slecht gekleed waren en allemaal lelijk waren.
Geloofde hij eigenlijk wel in vooruitgang? Je kunt dat betwijfelen als je een ander citaat uit een van zijn brieven leest: “Ik weet niet of ‘vooruitgang’ zeker is. Ik weet alleen maar van verandering. Het ganse onbeweeglijke systeem om mij heen zal verdwijnen als rook. Die overweldigende werkelijkheid zal zo dood en zo vreemd zijn als crinolines. Er komt iets voor in de plaats, onvermijdelijk. En wat dat iets zal zijn, hangt af van mij.”

‘Zijn’ Mysticisme

Geloof in een opdracht was hem niet vreemd. Maar de inspiratie daarvoor vond hij niet in het christelijke geloof. Zelf zocht hij het in mysticisme, zoals hij het noemde. Een citaat maar weer uit een brief aan een vriend: “Verbleek maar niet bij het woord Mysticisme. Ik bedoel niet een of ander religieus ding of een vorm van geloof. Het is louter een gevoel of zoiets, maar ik weiger van dit gevoel een soort geloof te maken. Ze dachten dat de wereld goed was en dat er een God bestond. Ik geloof niet meer dat de wereld goed is, maar ik heb me bevrijd van de wanhoop daarover – en ik zie stellig aanvullende mogelijkheden tot verbetering. Je moet naar mensen en dingen kijken zoals ze zijn – niet als bruikbaar of zedelijk of slecht of wat dan ook, gewoon als een wezen. Dat is althans de filosofische beschrijving. Wat er gebeurt is, dat ik plotseling de buitengewone waarde en belangrijkheid ervaar van bijna iedereen die ik tegenkom en in bijna alles wat ik zie.”

Welke geaardheid had Rupert Brooke

Klinkt dat niet als een voorloper van de new-age-filosofie, de beweging die ontstond vanaf de tweede helft van de jaren zestig van de twintigste eeuw? Men ervaart de eenheid van mens, natuur en kosmos. Men hecht waarde aan intuïtieve en gevoelsmatige benadering van problemen en zaken. New age wordt gezien als een reactie op traditionele monotheïstische religies, maar ook op materialisme, rationalisme en individualisme. Dat is allemaal van toepassing op het denken van Rupert Brooke en dus ook noodzakelijk om zijn gedichten, zowel de satirische als de ernstige, te kunnen begrijpen.
Voor dat begrip kunnen we ook een ander aspect van zijn karakter niet negeren. Dat betreft zijn nogal gevarieerd liefdesleven. Er is veel gespeculeerd over zijn seksuele geaardheid. Tijdens zijn schooljaren in Rugby had hij eens het bed gedeeld met een jeugdvriend. Was hij homoseksueel? In zijn eigen woorden: “Voor de helft volslagen heteroseksueel, voor een vierde deel volslagen homoseksueel en een vierde deel een gevoelshomo (dwz zijn geïdealiseerd verlangen naar jonge mannen was een verlangen naar zijn eigen jeugd)”. Maar zijn gedrag laat vermoeden dat hij feitelijk zijn homeseksuele geaardheid wilde maskeren door als een dolleman op vrouwen te jagen. Zijn uiterlijk van ‘mooie jongen’ hielp hem daarbij. Hij veroverde de ene vrouw na de andere met een dorst die een soort Casanova van hem maakte. Er zijn zelfs aanwijzingen dat hij soms twee of drie vrouwen tegelijk aan het lijntje hield. Vooral de laatste decennia zijn steeds meer documenten boven water gekomen, die hem tekenen als een man die met vrouwen speelde als een kat met zijn prooi. Sporen van zijn vele relaties vind je in al zijn gedichten. We ontkomen niet aan een opsomming.

In de kringen waarin hij verkeerde wilde men graag trots getuigen dat men vrij was van vooroordelen en conventie. Een levenslange relatie verbond hem met Ka Cox (Katherine Laird Cox). Hij laat haar spreken in zijn gedicht The Hill (De heuvel). Er kwam een einde aan deze jarenlange vriendschap, volgens Rupert door intriges van Lytton Strachey. Dat leidde tot zijn breuk met zijn vrienden in de Bloomsbury groep. Later herstelde hij zijn relatie met Ka Cox. Ze werd zelfs zwanger van hem, maar die verwachting eindigde met een miskraam.

Rupert Brooke had intussen, en in dezelfde tijd, andere vrouwen aan zijn zegekar gebonden. Er was een relatie met de actrice Cathleen Nesbitt die hij ten huwelijk vroeg, hoewel van een seksuele relatie nimmer sprake was. Hij maakte tegelijkertijd de zusjes Bryn en Noel Olivier het hof. Ze konden aan de ontbijttafel allebei stiekem een liefdesbriefje van hem lezen zonder het van elkaar te weten. Ook Noel heeft hij ten huwelijk gevraagd, maar zij wees hem af.
In 1912 begon hij een affaire met studente Phyllis Gardner. Het duurde anderhalf jaar en het leverde o.m. het gedicht Beauty and Beauty op. Je kunt eruit lezen dat een zeker narcisme hem niet vreemd was, want hij portretteert zichzelf nogal nadrukkelijke als een schoonheid. Maar Phyllis verveelde hem na enige tijd en hij schoof haar opzij als oud vuil. Er was blijkbaar in zijn leven maar één persoon belangrijk. Dat was hijzelf. Bovendien had hij een panische angst voor het huwelijk. Samen oud worden leek hem afschuwelijk. Lees daarvoor zijn sonnetten Menelaos en Helena en Omgekeerd sonnet.

Nerveuze instorting

De gecompliceerde relatie met zichzelf leidde in die jaren tot een nerveuze instorting. Om te herstellen volgden een aantal reizen naar Duitsland, de Verenigde Staten en Canada. Onderweg schreef hij dagboeken voor de Westminster Gazette. Hij nam de lange weg naar huis, zeilde over de Stille Oceaan en verbleef enige maanden in de Zuidzee. Veel later bleek dat hij een dochter had verwekt bij een Tahitiaanse vrouw met de naam Taatamata. Met haar heeft hij misschien genoten van zijn meest complete emotionele relatie. Maar hij verliet haar om als vrijgezel terug te keren naar zijn vaderland. Ook met haar wilde hij niet oud worden.

Zoals zijn werk op tal van plaatsen laat zien, was ouder worden voor hem een schrikbeeld. Hij getuigde daar al van in zijn eerste jeugdverzen (Het begin). In diepste wezen hoopte hij wellicht dat een vroege dood hem daarvoor zou sparen. Dat was misschien ook de reden voor zijn dienstneming in het leger. In zijn beroemdste sonnet The soldier beschrijft hij in de ik-vorm het sneuvelen van een soldaat. Het was hem niet gegund. Een muggenbeet, gevolgd door een bloedvergiftiging, maakte een einde aan zijn leven. Wel was hij nog jong, pas 28 jaar. De ouderdom bleef hem bespaard.

Zijn kunstenaarsschap

Maar ook de voltooiing van zijn kunstenaarschap werd hem ontnomen. Critici van zijn werk beschouwen hem algemeen als veelbelovend, maar niet volgroeid. Hij staat weliswaar in de rij van jong gestorven dichters (Keats was 25, Shelley 29), maar hun roem kon hij niet evenaren.
Een vergeefs leven dus? Tot die slotconclusie laat ik mij niet verleiden. Daarvoor heb ik als vertaler te lang in zijn nabijheid vertoefd, zijn worstelingen meebeleefd, zijn tekortkomingen onder ogen gezien, maar bovenal een kwetsbare jongeman zien opgroeien in een wereld die op de slagvelden van Frankrijk voorgoed is verdwenen.
Heeft zijn poëzie nog enige betekenis? Engeland heeft ongetwijfeld grotere dichters voortgebracht, al worden die ook nog nauwelijks gelezen. De verzen van Brooke getuigen toch vooral van zijn onzekerheid. Hij maskeerde die graag met ironie en spot. Beroemde helden (Menelaos) en heiligen waren niet veilig voor zijn pen. Hij relativeerde graag geloofswaarden, zie zijn vers over Maria en Gabriel en zijn bespiegelingen over het geloof van vissen (Hemel en De vis). Het vreemdste is, dat uitgerekend hij, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, stem gaf aan de geëxalteerde vaderlandsliefde, de waan van de dag. En het is bijna tragisch dat die regels hem wereldroem bezorgden. Het noodlot heeft gewild, dat hij het einde van die oorlog niet meer heeft beleefd, evenmin als het einde van het Britse imperium. Ik denk dat veel bittere poëzie daardoor ongeschreven bleef.

De bundel is 174 pagina’s en is tweetalig: Engels / Nederlands